zondag 16 oktober 2011

Mist

‘Fuck!’ schreeuwt zij hard in de richting van de gesloten kiosk. Ze is te laat. Ze is de trap opgestormd, maar ziet nu net de achterkant van de trein verdwijnen in een compacte ochtendnevel. Driftig tikt ze met haar hakken richting de wachtruimte die misschien nog enigszins beschut tegen de koude, vochtige buitenlucht. Ondertussen zoekt ze in haar tas naar haar Samsung. 
Hij schrikt wakker van het toontje dat hij herkent als een nieuw bericht. Dan weet hij weer waar hij is. Voor hem komt een verschijning in sjaal, jas, rok en op hakken de wachtruimte binnen. Met een Samsung in haar handen. Ze grinnikt, leest vast een of ander kazige sms. Hij heeft niets te lachen. Hij heeft de trein gemist waar hij al bijna een uur op zat te wachten. Niemand van de andere wachtenden heeft hem natuurlijk wakker gemaakt.
Ze gaat zitten, schuin tegenover hem, en is met een bericht bezig. Dan roept ze: ‘Kak!’ Nu is het zijn beurt om te grinniken.
‘Had je wat?! M’n telefoon is leeg, ja!’ reageert ze fel. Geïrriteerd stopt ze het apparaat terug in haar tas, rommelt er wat in, en haalt er uiteindelijk een pakje sigaretten uit. Dan rommelt ze nog langer, tot ze hem vraagt om een vuurtje.
Bij wijze van antwoord begint hij in zijn zakken te zoeken. Het komt maar zelden voor dat hij een aansteker op zak heeft, maar dit is één van die zeldzame momenten. Triomfantelijk vist hij de doorschijnende vuurbrenger uit zijn borstzak en loopt naar haar toe. Zwaaiend met de aansteker zegt hij: ‘Maar alleen als ik een paar hijsjes mag.’ Hij is al tijden gestopt, maar hij zoekt een excuus voor een gesprek. Of in elk geval een poging tot. Nog een uur alleen naar de mist staren ziet hij niet zo zitten.
‘Dit is m’n laatste,’ klinkt het verontwaardigd uit haar mond, terwijl ze hem het lege pakje laat zien.
‘Graag of niet,’ zegt hij. Ze knikt, hij steekt haar sigaret aan en gaat naast haar zitten. Zij verfrommelt het lege pakje en blaast met ogen dicht de rook uit.
‘Mist. Niemand ziet je, niemand mist je,’ zegt hij, na een korte stilte.
‘Heb je dat net zelf verzonnen?’
‘Nee, een of andere dichter. Geen idee meer wie.’
‘Ook naar Utrecht?’ zegt ze als ze hem de sigaret aangeeft.
Hij knikt. ‘Dat was wel de bedoeling ja.’ Een deel van hem walgt van de stank, maar hij inhaleert met genoegen.
‘Maar in slaap gevallen?’ zegt ze jennend.
‘Dat was mijn lot,’ zegt hij gekscherend. ‘Anders had jij nu geen vuur.’ Hij geeft de sigaret weer terug.
‘Ik geloof niet in lot. Ik geloof alleen in wentelteefjes,’ zegt ze, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze tuurt de mist in.
Het geloof in wentelteefjes. Een geloof dat niet veel mensen aanhangen, maar dat misschien ooit, op een dag, ongekende populair zou kunnen zijn. Maar hij heeft die zin eerder gehoord. Een eeuwigheid geleden, zo lijkt het. Hij bekijkt haar van top tot teen. Hij bekijkt haar net zo lang tot ze haar hoofd naar hem toe wendt en hem chagrijnig aanstaart. ‘Is dat iets om zo over te grijnzen?’
‘Charlotte van der Voort!’ Hij weet het zeker. Dit kan niemand anders zijn dan Charlotte. Verbazing maakt zich nu meester van haar gezicht en haar ogen knijpen een beetje samen, observeren zijn gezichtstrekken nauwgezet.
‘Joris Poelgeest? Van de regenboog?’ De klanken komen in slowmotion uit haar keel, alsof  die klanken zichzelf nog niet geloven. Joris knikt enthousiast. ‘Een en dezelfde.’
‘En maakt je moeder nog steeds die goddelijke wentelteefjes?’ wil Charlotte weten.
‘Oh, hou erover op. Ik krijg spontaan trek,’ zegt Joris lachend.
‘Wat ben jij nu aan het doen?’
‘Psychologie. Jij?’
‘Conservatorium. Zang. Je bent me nu toch niet helemaal aan het analyseren, toch?’
‘Nee hoor! Maar als zangeres kan je toch beter niet roken?’
‘Beter niet nee. Maar ik doe jazz. Een wat meer doorrookte stem mag dan wel, vind je niet?’ Ze neemt nog een hijs en geeft de sigaret weer aan Joris.
‘Hoe lang al?’
‘Wat? Het roken, of het zingen?’
‘Zingen.’
‘Al jaren. Maar dit is m’n tweede jaar conservatorium.’
‘Daarvoor nog wat anders gedaan?’
‘Jaartje rondreizen. Hongkong. Melbourne. Buenos Aires.’
‘Alsof het niks is!’ roept Joris uit.
‘Veel gewerkt, lieve rijke ouders, en een vriendin die mee wilde,’ zegt ze, haar schouders ophalend. ‘Ester, misschien ken je haar nog wel. Ook van de regenboog.’
‘Oh, waarom moesten mijn ouders zo nodig verhuizen! Ik kan me jou herinneren, en Bart, nog een paar gezichten, maar dat is het.’
Een omroepbericht klinkt door de speakers net als er een trein voorbij raast, waardoor de inhoud van de mededeling onverstaanbaar wordt.
‘En dat verhuizen, heb je daarom last van hechtingsproblemen? Bindingsangst of zoiets? Of verder niks aan overgehouden?’
‘Hé, ik ben hier de psycholoog! Waar komt dat opeens vandaan?’ Grinnikend drukt hij de sigaret uit.
‘Laatst iets over gelezen. Moest er ineens aan denken.’
‘Geen angsten hoor. Alleen een gruwelijke hekel aan verhuizen.’ Hij geeft haar een knipoog.
‘Wie niet?’
Een groepje meiden komt schaterend en waggelend de wachtruimte binnen. De mist begint langzaam op te trekken. Joris en Charlotte kijken elkaar aan.
‘Kom, we gaan kijken of er ergens al iets open is. Ik heb honger. Wentelteefjes zullen we niet vinden, maar toch...’
‘Is met elk geloof toch zo? Zoeken naar iets wat je niet kan vinden? Kom, geef me je arm.’ Ze haakt bij hem in en samen lopen ze de wachtruimte uit, van de meisjes weg, de trap en het perron af.
Niemand ziet ze, niemand mist ze.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten