dinsdag 20 september 2011

Onbelemmerd (1)

Lizzie. Zijn ogen, oren en voeten zijn naar haar op zoek. Boven is hij het witte zeil. Daarachter is de zon. Daartussen zijn de bladeren. Maar Lizzie is er niet.
Om zich heen ziet hij de benen van de papa’s, de mama’s en de juffrouwen. Mark zit bij een juffrouw op schoot. Hij ziet de stoelen. De gekleurde rondjes in het gras. De man met de fel gekleurde kleren en de rode neus.
Hij laat de hand van zijn eigen papa los en zet een paar stappen. Overal geluid. Pratend, lachend, schreeuwend, huilend. Thijs slurpt limonade. Lisa slaat blokken tegen elkaar aan. Sam praat tegen een kapoentje.
‘Dennisje, waar ga je heen?’
‘Lizzie,’ antwoordt hij aan juffrouw Toos. Hij stapt dapper verder, langs de stoelen, door het gras, de drempel op, naar binnen. Naar minder geluid. Naar minder warm. Naar het huis met de poppen, naar de houten trein. Daarachter zijn de puzzels.
Daar zit Lizzie. Ze praat tegen mevrouw beer, en veegt met de pootjes van mevrouw beer haar wangen droog. Ze is bang voor de man met de rode neus, die gek lacht, en waar de papa’s en de mama’s ook om moeten lachen.
‘Niet bang zijn,’ zegt hij en hij pakt haar hand. Zelf is hij dat ook niet. De man met de rooie neus lacht dan wel te veel, hij kan ook toveren. Dat maakt veel goed. ‘Vandaag feest,’ zegt hij, omdat hij dat gehoord heeft. Lizzie knikt. Samen lopen ze terug.
‘Zo, je hebt haar gevonden,’ zegt juffrouw Toos. Hij knikt en kijkt naar Lizzie. Hij heeft haar gevonden.


Hij weet niet of het zijn eerste herinnering is. Maar het is er één die afwijkt van de rest. Zijn ouders waren er eerder geweest dan Lizzie. En het stoeltje achterop de fiets. En de geur van het huis. De planten in de tuin. Hij zag het altijd meteen als er iets anders was, maar dat betekende dat hij de herinnering ergens had opgeslagen. Maar dat waren beelden, en geuren, geluiden. Geen gebeurtenissen.
Hij vraagt zich wel eens af waarom hij zich zo weinig écht herinnert. Niet van foto’s, niet van verhalen. Gewoon van zichzelf. Het vanzelfsprekende is er altijd, maar blijft niet lang hangen. Of misschien juist te lang. Het vanzelfsprekende is niet aan tijd gebonden, het afwijkende wel. Het afwijkende markeert. Het afwijkende maakt indruk, maar zorgt daarmee ook voor een vertekend beeld. Alsof de afwijking de regel is.

Ze heette geen Lizzy, maar Lindsy. Dat weet hij nu. Maar het blijft hetzelfde hoofd vol zwarte krullen.

De tafels staan in groepjes van zes en vier bij elkaar. Iedereen staart naar de televisie, hoog op wieltjes, maar hij is onrustig. Hij kijkt om zich heen. Zou iemand het zien? Het is donker en wat maakt het ook eigenlijk uit, zegt hij tegen zichzelf. Zonder er verder nog bij na te denken, trekt hij trui en t-shirt over zijn hoofd heen.
Dat lucht op. Eindelijk een beetje koelte. Hij legt zijn hand op zijn borstkas. Die voelt klam aan. Misschien is hij wel ziek. Heeft niet iedereen het warm?
Hij kijkt weer om zich heen, maar nu kijkt er bijna niemand meer naar de televisie. Dat is goed te zien, zelfs met het licht uit schijnt de zon fel door het zonnescherm heen. En de bladeren erachter kunnen daar niets aan veranderen.
Opmerkingen worden gefluisterd. Ze hebben hem gezien, ze hebben hem gevonden. Beschaamd trekt hij zijn shirt los van de trui en wurmt zich er weer in. Hij zal zich moeten aanpassen aan de groep.
Zijn ogen dwalen vluchtig de klas door. Niet bang zijn.


Hij heef Lindsy al vijf jaar niet meer gezien.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten