zaterdag 18 december 2010

Evangelie van Lucifer

Eindelijk stond ik dan weer met beide voeten op de grond, de natte aarde van een mij onbekend vlak graslandschap. Eindelijk ademde ik weer frisse lucht, al wasemde mijn huid nog steeds dat mengsel van zwavel en salpeter uit, en was ik omsingeld door uitwerpselen van dieren. En eindelijk zag ik weer zonlicht, dat ondanks al die eeuwen ondergronds geen pijn deed aan mijn ogen.
Naakt ben ik gegaan, en naakt was ik weer gekomen. Ik werd ongeïnteresseerd aangestaard door zwart-wit gevlekte kalf-achtigen, maar ik schaamde mij niet. Wel wist ik dat anderen zich helaas plaatsvervangend zouden schamen bij het aanzien van mijn onbedekte huid. Ik begaf me op zoek naar kleding naar het dichtstbijzijnde gebouw, opgetrokken uit rechthoekige stenen en stro. Een jonge deerne kwam me giechelend tegemoet, en zonder een woord te spreken bedreven we de liefde op het frisse gras. Waarom ik toch die uitwerking op me heb, ik weet het niet. Jozua mag het weten. Wel beschermde ze mijn geslacht, met iets veel betrouwbaarders dan die schapendarmen van vroeger. Ze kleedde me aan, ik at er toen haar ouders er waren, en leerde dat het geloof was voortgezet. Maar niet op de manier die ik had bedoeld.
Mijn zoon was verworden tot de zoon van God. De enige, nog wel. Ik wilde tegenwerpen dat dit niet kon kloppen, maar hield me in. Ze leken mij te simpel om het te begrijpen. Wij zijn allemaal kinderen van God, ook de Engelen: allemaal verwekt door de Heilige Geest die met woorden al lang voor onze verwekking en geboorte ons bestaan op het hemels schrift gesteld had. Magische woorden. Allemaal zijn wij door deze woorden en spreuken verwekt, als personages in een verhaal waar we geen controle over hebben. De woorden die de Schrift verzweeg, waren dat het zaad, nodig voor die zoon, van mij kwam. In die tijd gaf ik me uit als Romeinse soldaat, in de hoop dat die maagd uit het huis van David inderdaad haar vijanden liever lief had. Ik had gelijk. Onvoorzien had ik evenwel dat zij zich later zou schamen voor mijn schending van haar puurheid, maar ik dacht niet dat het zo uit de hand zou lopen dat men hem zou aanzien voor de zoon van het alomtegenwoordig Wezen dat mij geschapen heeft. De kleinzoon van, dat was hij misschien nog, in zekere zin. Daar had ik vrede mee kunnen hebben.
In de gedaante van rabbi nam ik hem onder mijn hoede, leerde hem hoezeer het leven aan de aarde, aan het vlees gebonden was. Als Johannes begon ik niet veel later te dopen, om de boodschap te verkondigen dat iedereen met een schone lei moest beginnen, in het nu moest leven, en maar niet de hoop moest vestigen dat er nog iets na dit aardse leven komen zou. Ook hém doopte ik. Hoe het leven hier voor je uitpakt, daar ben je zelf voor verantwoordelijk. Na al die eeuwen op aarde begreep ik de mensen beter dan hun Maker, hun grote Magiër, die slechts met woorden voor zoiets wonderbaarlijks als een zwangerschap kon zorgen. Ik kende hun zorgen, hun drijfveren. De rabbijnen niet, hen was het alleen te doen om hun eigen macht en invloed, niet om inzicht en kracht aan de mensen zelf te brengen. Daar wilde ik met mijn zoon voor zorgen. In de woestijn stelde ik hem op de proef, en alweer herkende hij mij niet, of zag mij als een geestverschijning, ik weet het niet. Hij slaagde met glans, en begon ons geloof te verkondigen. Hij legde de wetten anders uit, zonder nadruk op die bovenwereld, of op een of ander Hemels Koninkrijk. Het aardse koninkrijk was hemels, en de totstandkoming daarvan had de mensheid in de hand. Het ging om het nu, het ging om de ander, meer nog dan om jezelf en de toekomst. Offers moest je brengen voor de medemens, maar niet op een altaar. Drank en spijs was er om te nuttigen, niet om weg te gooien. De offers die hij en ik voor ogen hadden, betroffen doen en laten om het samen leven mooier te maken. Geven en nemen. In materiële zin, en in figuurlijke zin. En hij drong iedereen erop aan eerst zelfonderzoek te plegen, alvorens een beschuldigende vinger uit te steken. ‘Wie met één vinger aanwijst, wijst met drie vingers naar zichzelf,’ zei hij op een van zijn inspirerende momenten. Daarover in de evangeliën geen woord. Ja, wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Maar wat waren de zonden in die tijd? Of in deze tijd, deze vreemde tijd waarin ik beland ben? Wat zondig is, wordt bepaald door de geestelijken. Het zou bepaald moeten worden door onze eigen waarden.
Hij zag zichzelf nooit als meer of beter dan de anderen. Hij zou de laatste zijn zich als persoon van Goddelijke afkomst te hebben beschouwd. Onder de naam van Judas schaarde ik mij uiteindelijk aan zijn rechterzijde. Na hem een tijdje gevolgd te hebben, moest ik hem alles wel openbaren, want eindelijk zag hij de gelijkenis tussen al die personen in zijn leven. Waarom ik niet verouderde, geloofde hij eerst niet. Dat mijn geslacht gemaakt was met magie en jarenlang geduld, vond hij eerst belachelijk. Dat ik in den beginne een Engel geweest was, uit het niets geschapen op die naamloze andere wereld, enkel bevolkt door Engelen; hij lachte me uit. Dat ik van het Hoogste afgekeerd en dus Gevallen was; hij verklaarde mij simpelweg voor gek. Maar hij stelde zijn mening bij door wat ik hem ook daarna nog leerde. ‘Mijn geloof was te klein, vader’ verontschuldigde hij zich, toen hij het lopen over water onder de knie had gekregen.
Ruzie kregen we na die Palmzondag. Jeruzalem was te veel bezig met het hogere, gebruikte dat geloof als excuus om de meest misdadige praktijken door de vingers te zien. Hij wilde daar zijn boodschap verkondigen, dat moest. Maar ik wist dat de machthebbers daar er het niet zouden pikken. Zijn aanhang was te groot, de tijd was er nog niet rijp voor. Zijn boodschap moest zichzelf verkondigen in Jeruzalem, dat moest hij niet zelf doen, hij had geduld nodig. Maar hij ging, en ik ging mee. Eerst kwam het onheil over mij. In de tempel waren Engelen die me herkenden, die me voor de tweede keer in die stinkende, snikhete, eindeloze krochten van de hel smeten. Omdat ik onder de mensen was. Omdat ik met hen praatte, omdat ik hen lief had, meer lief dan dat Wezen. Omdat ik hen onze magie leerde. Ik had de schepping liever dan de schepper, en dit was dan mijn straf. Ze begrepen mij niet; daar waren zij, engelen van de tweede of derde lichting, niet meer toe in staat. Wel lieten ze me zien wat er verder met hem gebeurde, alvorens mij voor de tweede maal te verbannen.
Hij had mij met de engelen gezien, en later zag ik hem dus, werd ik gedwongen hem te zien. Verborgen en gevangen was ik, en zag ik hoe hij werd gekruisigd. Hij verzette zich niet, liet mensen zien wat het grootste offer was, murmelde iets over dat hij altijd in zijn vaders geest had geleefd, en dat het uit zijn handen was. Waarom ik hem verlaten had, volgens mij waren dat zijn laatste woorden.
Tegelijkertijd kwamen wij in de wonderlijke onderwereld. Hij kon reïncarneren, met schone lei beginnen, ik werd vuil aangekeken en werd zonder pardon doorverwezen naar de hel. Advies van de ambtelijke Engelen ten spijt, is hij mij gevolgd. Met alle kracht die ik nog had heb ik hem teruggestuurd, wat voor hem makkelijker kon omdat hij er niet thuis hoorde. Het opzeggen van de spreuken duurden meer dan twee volle dagen. Ik had het zo moeten laten. Ik had de boodschap het werk moeten laten doen, maar in plaats daarvan is hij dus een God geworden, de zoon van God, en dat stond de verkondiging en vooral de effectiviteit van de boodschap in de weg. ‘Aanbidt niets anders dan deze wereld zelf, in zijn geheel, en niet iets buiten of in deze wereld meer dan iets anders’ gebiedt een van de geboden. Dat gebeurde dus wel. Alsnog is hij daarna een nieuw leven begonnen, toen hij inzag dat het als levende dode alleen maar een averechts effect had.
Ik vervloek de verhalenvertellers die hun eigen waarheid geschapen hebben, in opdracht van hun werkgevers. De verhalenvertellers die weten hoe ze de mensen het best voor hun karretje kunnen spannen. De vertellers die de boodschap uit het oog hebben verloren, en die het nu alleen om het vertellen te doen is. En het meest nog vervloek ik met terugwerkende kracht Paulus, en daarmee schijn ik in de mode te zijn, al is het maar bij een select gezelschap.
Mijn eigen ontsnapping had bijna twee millennia geduurd, iets korter dan de vorige keer. Ik ben verder gereisd, liet het boerengezin achter me, kwam terecht in die wereld waar bezit het hoogste goed was geworden, en niet gedrag. Bij mijn zoon was alles gedrag. Hij bezat niets. Maar hier en nu?! Mensen staren zich blind op geld, op auto’s, op gebouwen, maar over hoe zij anderen behandelen, daarover denken zij niet langer na. Het oude geloof was gestorven, omdat het door sommigen te fanatiek, te eenzijdig, te orthodox werd beleefd. De nieuwe geloven gingen over macht, overheersing, en kenden geen verdraagzaamheid, openheid en vertrouwen meer. Het leek mij of ik daarvoor de schuld had, en inderdaad leek iedereen mij, Lucifer, voor het allerlaagst te zien. Een duivel. Terwijl ik niets anders heb willen bereiken dan acceptatie van het aardse, van onze echte verlangens, en dat we dat allemaal niet hoeven te onderdrukken. Er is niets slechts aan als je een verleiding niet kan weerstaan. Waarom mogen we hier niet genieten, zolang dat maar niet ten koste van een ander gaat? Na de dood is er niets meer te genieten, en is er ook geen ander meer. Na de dood is er alleen maar nieuw leven, volledig los van het oude. Tenzij je tegen het systeem geprotesteerd hebt, zoals ik. Dan ben je veroordeeld tot je eigen leven, de eeuwige gedachten aan je eigen verleden, in een omgeving die je liever vergeten wilt. Tenzij je toch de wilskracht en de middelen hebt om te ontsnappen, zoals ik. Maar ik had beter daar kunnen blijven. Mijn onsterfelijkheid is bitter in het licht van deze barbaarse wereld.
Gewogen en te licht bevonden, schoot het door mijn hoofd. Mijn plan was onherroepelijk mislukt en de inwoners der wereld waren te talrijk om opnieuw iemand mijn boodschap te laten verkondigen. Ja, er waren er die de boodschap tot in de kern begrepen, maar zij werden overspoeld door de massa die dat niet deed, de massa die die boodschap met massamoorden en andere duivelse dingen associeerden. Met mij en met mijn onbegrijpelijke maker. Geschapen door de magische wereld, door deze allesomvattende wereld, waarin we tot elkaar veroordeeld zijn, maar dat lijkt iedereen te zijn vergeten. De mensen leven meer voor zichzelf dan voor enig ander. En ik ga van vrouw naar vrouw, breng het enige offer dat ik nog te bieden heb, het offer dat mijn verdriet wegneemt en de vrouwen met genot vervult. Wederzijds genot. Ze vinden altijd weer iemand anders, en dan verlaat ik ze weer. 
De geur van die hel is inmiddels uit mijn huid verdwenen. En deze hel, die probeer ik te vergeten. Te negeren. Maar ik heb me er inmiddels bij neergelegd dat het de hel is en blijft die waar ik ook ga onherroepelijk aan mij kleeft. Tot het einde dat nooit komen zal. Dat is mijn apokalupsis eschaton. Dat er geen einde is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten