dinsdag 29 september 2009

Worsteling met het water en de wind

‘Mijn naam is Victor van Gigch en ik besta slechts op papier’ staat er op een van de eerste pagina’s van De verering van Quirina T. Een ik-verteller gaat door, maar het is onduidelijk of dit nu Van Gigch is of de auteur zelf. Dit ‘alter ego’ is namelijk geboren op dezelfde datum als L.H. Wiener, de auteur, bovendien schrijver van beroep, hier en daar ook verwijzend naar werken uit zijn eigen oeuvre, dat in niets verschilt van dat van Wiener. Hoe dan ook: Victor lijkt niet alleen de ik-persoon en de verteller, ook voert hij zichzelf in de derde persoon op. Een zeer auto-biografisch gekleurd werk, maar daarom niet minder interessant. 
Zelfs de omslag doet me al aan de elementen denken. Een zeilschip, vrij van grond, vrij van vuur, spelend met het water en de wind. Het lijkt bijna te vluchten van mogelijke vlammen en ongewenste zandgronden. In hoeverre kunnen die elementen wat zeggen over het boek? Wat wil deze 59-jarige hoofdpersoon? Kort door de bocht wil hij meer grip op het ‘water’, het verleden, meer grip dan hij nu heeft. Vooral ook een beter begrip van zijn vader, de man die niet wilde bestaan, maar wel bestond. Onderduikend in auto’s, bankrekeningen, zijn vrouw, zijn angsten, zijn wantrouwen, zich zwijgend verzettend ging zijn vader door het leven. Van Gigch schaamt zich voor zijn vader en zijn onwil of onmacht om te communiceren. Hij schaamt zich voor deze man, die zo nadrukkelijk bepaald heeft hoe hij zelf in elkaar zit. Een man die net zo min te doorgronden was als het vertroebelde water van de zee. 
Maar Victor draagt meer verdriet uit het verleden met zich mee. Zijn broer Saul koos voor een eenzame dood op zee, net als Victors grootouders en zijn oom zelfmoord pleegden in de oorlog, voor Victor was geboren. Daarbovenop komt zijn vrouwenhaat, zijn misogynie, waarvan de oorsprong ook in zijn jeugd ligt. Zijn eerste seksuele ervaring was intimiderend en ‘duivels’, hij wil er zijn moedertaal in ieder geval niet mee bevuilen. En dan was er een andere vrouw, de moeder van een vriend, die wel zijn begeerte opwekte, maar bij nader inzien toch een heks was, een hoer. Deze Catharina van Nyenbeek bezoekt hij jaren later, als hij 59 is, om wraak te nemen, om haar te ontmaskeren. Maar eigenlijk zoekt hij in zekere zin naar afsluiting, naar een zuivering van het verleden. Naar een zekere macht, een zekere controle, zoals je controle over een auto hebben kunt. Kortom, een emotionele zoektocht naar antwoorden die onbereikbaar en ongrijpbaar zijn. En tegelijkertijd het loskomen van zijn impotente en onmachtige vader, om eindelijk zichzelf te kunnen zijn. 
Het gesprek met Catharina is de rode draad, daaromheen heeft de schrijver al associërend allerlei andere draden gesponnen. Of, zoals Victor zelf zegt: ‘Ik werk nogal associatief, ben nogal emotioneel en mijn lesplanning is nogal rudimentair.’ Een epiloog, 308 pagina’s fragmenten, en een epiloog. Het zijn schijnbaar luchtige fragmenten. Winnie-the-Pooh komt voorbij, het Studiehuis wordt bekritiseerd, en ook de ‘bewoners’ van het Zandvoortse telefoonboek krijgen het te verduren. Verhandelingen over betaalde liefde, over het leraar- en het schrijverschap, vele terugblikken naar zijn jeugd en andere herinneringen passeren beurtelings de revue. Maar al deze fragmenten hebben hun zin, verduidelijken het innerlijk van de hoofdpersoon, en zijn oorlog. 
Steeds duidelijker wordt wat de schrijvende Victor wil: verlossing van zijn verleden: zijn vader en zijn haat (of angst?) voor vrouwen. Beide zijn niet los van elkaar te begrijpen. Door het gebrekkige contact met zijn vader, en een overname van verschillende persoonlijkheidskenmerken, is Victor zichzelf gaan haten. Zijn zelfhaat, aangewakkerd door een gebrekkige solidariteit, heeft geleid tot een gevoel van superioriteit en tegelijkertijd een laffe levenshouding. Vrouwen bestaan enkel om hem te dienen, om het slachtoffer te zijn van zijn bevrediging. Intimiteit op een ander vlak dan het seksuele is dan ook uitgesloten. Vrouwen moeten gestraft worden, zijn minderwaardig. Seks is oorlog, overlast, een gestileerde moordaanslag, een jacht, vergelijkbaar met hoe Victor en zijn jeugdvriend Niels op wilde dieren joegen. Misschien wordt er daarom steeds een vergelijking gemaakt tussen mens en dier - zowel pluche als wild. 
Maar seks is ook een verslaving, omdat hij vrouwen haat. Hij moet zijn toorn, zijn wreedheid botvieren. Vrouwen zijn zijn wraakobjecten, slachtofferdieren, lustobjecten, inferieur aan de man. Hij heeft vrouwen lief met heel zijn haat. Verering EN vergruizing. Vermakelijk in dit opzicht is de briefwisseling tussen Mathilde Kruithof en Victor, bewonderaar en bewonderde, onderdanige en (schrijvers)god. De consequenties van deze vrouwenhaat, deze misogynie, gaan tot het gaatje, en nog iets verder zelfs. Toch brandt er één heilig vuur, één hoop, in de vorm van een moderne Helena van Troje. Het is een leerling van hem, Quirina Taselaar, die hem verleidt, die hem moet verlossen. In zijn verboden verbeelding vereert hij haar, is zij zijn afgod, zijn de rollen omgekeerd. Alleen zij kan hem redden, alleen zij is zuiver en echt als Pooh-bear, alleen zij is geen heks. In zijn gedachten en verbeelding dan, want ook zij is in zekere zin een heks, een femme fatale, die hem in haar betoverende macht heeft. 
Maar, zo schrijft hij in de briefwisseling: ook Quirina’s ‘bestaan dient bij nader inzien sterk in twijfel te worden getrokken.’ Voortdurend onderstreept de ik-figuur dat de lezer geen vaste grond onder de voeten heeft; het blijft fictie, de schrijver is God in het diepst van zijn gedachten. In elk boek een impliciet gegeven, hier expliciet en bijna het thema. De enige vaste grond onder de voeten lijkt het gebrek aan vaste grond. En het enige betrouwbare aan deze verteller: dat wat hij beschrijft onbetrouwbaar is. Maar is wat Victor beschrijft bij nader inzien juist wel de waarheid? Want is iemand die zo wanhopig hamert op het fictionele element, niet bang dat dat zijn eigen waarheid niet voor leugen, maar voor waarheid wordt aangenomen? Het is een spel met de lezer rondom de mogelijkheden en de valkuilen van de fictie, een spel dat Wiener met plezier speelt. 
Viktor akkert in het boek door over schrijven, vergelijkt - om maar bij het element aarde te blijven - de schrijver met een tuinier, die wroet in zijn eigen aarde, die bezig is in de tuin van zijn leven, zijn biografie: voltooien wat nog niet volgroeid is, verwijderen wat er nooit had mogen zijn. Het is meer dan eens een theorie en uitwerking van zijn auteurspoëtica in één; hij schrijft wat een schrijver volgens hem moet doen, en past dat vervolgens toe. Schrijvers kunnen ingrijpen, het verleden wijzigen, heden en verleden verenigen, de tijd anders indelen, wat in het boek constant gebeurt. Meer dan zestig jaar worden beschreven, en verenigd, van de jeugdvriend van Victors moeder, tot een krantenartikel uit begin februari 2005. 
Het verbindende element (de quintessens van dit boek?) is het geheugen, de herinnering. Ook de werking van het brein is betrouwbaar onbetrouwbaar en uitermate subjectief. Van Gigch blijkt immers zijn vrouwenhaat deels op een leugen te hebben gebaseerd. Het gaat dan ook om het creëren van een eigen werkelijkheid, die te prefereren is; een zelf verkozen ‘opdringing’ van gewenste herinneringen, die niet noodzakelijk hoeven te hebben plaatsgevonden. Het boek is bij uitstek geschikt voor vervolmaking van de meest aangename herinneringen. Dat die schrijversherinneringen dan onbetrouwbaar zijn, en voortkomen uit de verbeelde werkelijkheid en de mist der mensen, dat doet er dan weinig toe. 
Dat is dan ook het thema van de roman: het perfectioneren, vervolmaken van een leven op papier, of in ieder geval een poging daartoe. Op papier is er niet de mogelijkheid dat van een foutieve herinnering, het geheugen van een boek is foutloos. Misschien onvolledig of beperkt, maar foutloos. Wat op pagina 17 gebeurt, zal op pagina 17 blijven gebeuren, en niet opeens twee pagina’s later. Wat waar is, is niet belangrijk, wat waardevol is wel. Wat waardevol is, moet worden gefixeerd op papier. Maar is dit vluchten in een werkelijkheid, of vluchten van de werkelijkheid? Heeft dit subjectieve geheugen alleen een functie in fictie, of moeten we dit ook propageren in de werkelijkheid? 
Het mooie van herinneringen is dat het opslaan ervan in het geheugen, niets te maken heeft met morele verplichtingen en wetten. Ook het ingaan tegen een burgerlijke moraal is iets wat op de achtergrond steeds lijkt terug te komen. De eigenschappen van Victor als het verbergen van zijn verlangens, het aardig gevonden willen worden, kortom zijn beleefdheid, heeft leugens en zelfverloochening tot gevolg. De toon van De verering van Quirina T. is dan ook niet bepaald beleefd te noemen. Bijna expres tartend, spottend. Een oude leraar met een seksuele obsessie voor een leerling, indoctrinatie in het voordeel van de doodstraf, een schrijver met moordneigingen, die oneerbiedig en in ieder geval niet gelijkwaardig omgaat met hun vrouwen, behalve dan misschien met zijn moeder en zijn dochter. In hoeverre is dit een bewuste doorbreking van Victors’ beleefdheid, van taboes, van verwachtingen? In hoeverre is het sarcastisch (of zoals Wiener zou schrijven: sarcasties), en in hoeverre auto-biografisch? Want Victors gedrag is in mijn ogen heel begrijpelijk, sympathiek, in ieder geval heel menselijk, en ik heb er totaal geen moeite mee me in te leven in hem en zijn oorlog. Die strijd zit trouwens ook al in de namen. Quirina zou ‘strijder’ betekenen, en Victor ziet Saul als een onverslaanbare vechter, en tegelijkertijd heb ik bij Saul de associatie met David en Goliath. En Victor ten slotte, betekent overwinnaar. Maar welke strijd wint hij? Of verliest hij tegelijkertijd? Het lijkt op het laatste: iedereen is zowel slachtoffer en dader. Victor werd zelf als jongen seksueel geïntimideerd door Maria Drommel, maar in zijn fantasie doet hij hetzelfde bij Quirina, wat dat misschien gewenste en wederzijdse intimidatie is, maar nog steeds intimidatie. Victor haat vrouwen, maar het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat Catharina mannen haat, gezien haar ervaringen in het verleden. 
En dan is opeens het mozaïek af, ook al is dit ‘laatste’ boek niet het laatste boek. En maakt het niet meer uit dat ‘-isch’ consequent vervangen wordt door ‘-ies’. Dan maakt het niet meer uit dat het af en toe een gepuzzel is om de fragmenten aan de juiste situatie en de juiste schrijver te verbinden. Want dan biedt het boek misschien wel ‘troost en verlichting’, en is het een boek dat zich verheft tot een ‘niveau dat alleen door de muziek te evenaren is.’ Ook al heb ik nog geen idee welke muziek dat is. Dan is het een prachtige toevoeging aan de verhalen over onder andere Oedipus, Hamlet en Alfred Issendorf, en al die andere vader-zoon verhoudingen. Ook al is het mij nog steeds een raadsel en een cliché, wat het toch is met schrijvers en hun vaders, of hun ouders in het algemeen. Maar laten er vooral schrijvers blijven die het in hun fictionele verbeelding willen vervolmaken, die willen worstelen met wind en water.
(September 2009)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten