zondag 28 maart 2010

Stijlbreuk als speels stijlmiddel

Niemand zou het vandaag de dag nog in zijn hoofd halen zichzelf de bijnaam ‘Schoolmeester’ te geven. We hebben het niet zo met betweters die met hun kennis te koop lopen. Maar dichter Gerrit van de Linde had in de negentiende eeuw helemaal geen moeite met dat pseudoniem. Of hij die naam ook echt waard was, is nog maar de vraag; hij was niet bepaald een rolmodel. Zijn studie theologie heeft hij nooit afgemaakt, hij had een buitenechtelijk kind en bovendien een verhouding met de vrouw van één van zijn eigen hoogleraren. Uiteindelijk nam hij in Engeland het reilen en zeilen van een kostschool voor zijn hoede, met succes. Van de Linde heeft zijn bekendheid echter vooral te danken aan zijn gedichten. Met ongeveer 200 oorspronkelijke prenten van Anthony de Vries is het bundeltje Gedichten van den Schoolmeester al een genoegen om door te bladeren. Het werd door Jacob van Lennep voor het eerst uitgegeven na de dood van Van de Linde in 1859 - toen nog zonder illustraties. Sindsdien is het vaak herdrukt en de populariteit is niet te verklaren door de later toegevoegde tekeningen, die natuurlijk enkel aan kracht winnen in combinatie met de inhoud.
Waardoor is die populariteit dan wél te verklaren? Allereerst door verbeeldingskracht. Sommige beschrijvingen zie je zo voor je, ook zonder de illustraties. Bijvoorbeeld het gezin aan tafel met de vader die zich opwindt over het feit dat hij steeds meer monden moet vullen met boterhammen. Of de rat die het net stuk knaagt waarin de leeuw gevangen zit. Daarnaast is er de veelzijdigheid van de bundel. Er zijn theaterteksten, verhalende gedichten, brieven op rijm, fabels, didactische poëzie en van alles daartussenin. Vooral bij het lezen van de didactische gedichten lijkt het pseudoniem van De Schoolmeester juist wel zeer treffend gekozen. Van de Linde spreidt hier een zeer goed ontwikkelde algemene kennis ten toon zonder dat de lezer zich ergert aan alle feitjes. Dat laatste komt met name door de speelse vorm en de eveneens speelse inhoud.
De Schoolmeester houdt zich namelijk niet strikt aan de tot dan toe richtinggevende ‘regels’ in de dichtkunst. Het metrum is lang niet zo strak als bij Vondel of Bilderdijk, de regels tellen niet telkens hetzelfde aantal lettergrepen en regelmatig gaat het eindrijm meer dan vier versregels door, wat op het eerste gezicht een beetje flauw aandoet, maar juist ook de charme is van deze poëzie.
De speelse inhoud hangt samen met de vorm. De gedichten wekken soms de indruk dat de dichter eerder naar rijmwoorden op zoek was dan naar een logische gedachtengang. Soms gebruikt de dichter woorden uit andere talen om tot een - min of meer - kloppend eindrijm te komen, en vaak worden er opeens woorden gebruikt die je helemaal niet zou associëren met het onderwerp of het verloop van het gedicht. Het lijkt echter eerder een essentieel kenmerk van de Gedichten van den Schoolmeester. Het is een middel om de lezer eventjes van de wijs te brengen. Daarom kan het dat hij soms opeens overschakelt naar een heel ander stijlregister. Hij neemt zichzelf nooit helemaal serieus, en mocht hij dat wel doen, dan drijft hij wel bijna onopvallend de spot het metrum, het onderwerp, of het soort gedicht. Hij speelt met de verwachtingen van lezers en grijpt daarvoor alles aan wat hij kan. En op alle niveaus komt dat eigenlijk neer op stijlbreuk, het stijlmiddel dat in deze gedichten zorgt voor de humor die ze ook voor de lezer van nu nog aantrekkelijk zijn. 
De keuze voor het pseudoniem ‘Schoolmeester’ is dus niet van ironie gespeend. Van de Linde brak in zijn tijd met de toenmalige regels en verwachtingen, maar het gaat wat ver om nu te zeggen dat hij de oude dichters een lesje leert. Of misschien één les of moraal: er is niets dat je al te serieus moet nemen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten