dinsdag 9 maart 2010

Fictieve brieven over vriendschap

Wie wacht er anno 2010 nog vol verwachting op een brief van een goede vriend of vriendin? Veel liever pakken we de telefoon, om te bellen, en anders om een smsje te sturen. Of we chatten, sturen snel een mailtje, of zoeken contact via sociale digitale netwerken als hyves, facebook of twitter. Maar die snelheid en dat gemak van communicatie was er nog niet in de tijd dat Elizabeth Maria Post haar Het land, in brieven schreef. Je kon elkaar óf ontmoeten, óf je kon elkaar brieven schrijven.
Dat laatste is dan ook precies wat er in deze briefroman uit 1788 gebeurt. Twee vrouwen, Eufrozyne en Emilia, raken door hun brieven nog hechter bevriend dan ze al waren. De aandacht en tijd die besteed lijkt te zijn aan het schrijven van deze weliswaar fictieve brieven, doet je bijna terugverlangen naar de tijd dat het de normaalste zaak van de wereld was dat je een penvriend(in) had.
Het schijven naar elkaar zien deze dames als een bevestiging van hun verbondenheid. Op het eerste gezicht lijkt die misschien ver te zoeken; Eufrozyne woont in de stad, Emilia op het platteland, het landgoed Zorgenvrij. Eufrozyne vraagt zich in een brief dan ook af of het niet saai is daar op het platteland, zo ver weg van de mensen, zo eenzaam. Maar Emilia heeft geen behoefte aan de drukte van de stad, ze heeft alles wat ze nodig heeft om zich heen, namelijk de natuur.
Want wie immers heeft er in de stad tijd en de mogelijkheid om zich te verwonderen over een bloemknop, sporen van dieren in de verder nog ongerepte sneeuwdeken die in het bos ligt, of nachtelijke wandelingen in het maanlicht? Deze verwondering, samen met de natuurbeschrijvingen, vormen de grootste kracht van deze roman.
Eufrozyne verontschuldigt zich voor haar ondoordachtheid, nu haar hartsvriendin heeft uitgelegd wat haar bezighoudt in de vrije natuur, ziet ze in dat het leven buiten de stad helemaal niet minder waard is dan het leven in de stad. In de voorzienigheid en de perfectie van de ongerepte natuur is pas werkelijk de hand van God te zien, en dat is dan ook wat deze dames het sterkst lijkt te binden: hun vertrouwen in God en hun houvast aan een zeer persoonlijke godsdienstbeleving. Ze belijden hun geloof met een hoeveelheid overtuiging, vreugde en enthousiasme die meer doet denken aan een gospelgemeenschap dan van een kerkdienst te Urk of Staphorst, om maar twee plaatsen te noemen. Ze schrijven elkaar andermans versjes die de Schepper en zijn heerlijkheid verheffen en verwijzen ook regelmatig naar eigentijdse schrijvers.
In datzelfde geloof vinden ze ook troost wanneer de keerzijde van het leven hen bezighoudt. Het geloof in een leven na de dood doet hun verdriet verzachten over al die mensen - jong of oud, ziek of schijnbaar gezond – het leven in dit tranendal moeten verruilen voor het eeuwige leven.
Samen met de bloemen en de gewassen, bloeit ook de vriendschap tussen Eufrozyne en Emilia op. Als Eufrozyne haar vriendin bezoekt, doet ze daar zo uitgebreid mogelijk, met dialogen en al verslag van aan een andere vriendin, uiteraard via een brief. En als dat verademende bezoek alweer tot het verleden behoort, verlangen beide briefschrijfsters weer terug naar elkanders inspirerende aanwezigheid.
Wie dus wil lezen over hoe mooi een vriendschap zijn kan, moet dit boek hebben. Maar er zijn nog zoveel meer redenen. Het is niet alleen prachtig om de natuur door de ogen van iemand anders te zien, maar ook om de 18e eeuw door ogen uit die tijd te zien. Door dit boek krijg je een betoverend beeld over de verhoudingen tussen stad en platteland, over levensbeschouwing, en merk je dat de dood veel meer nog dan nu een deel was van het leven. Maar houd bij het lezen wel in je achterhoofd dat het ook een idealistisch beeld is dat deze fictieve boezemvriendinnen elkaar schetsen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten