maandag 18 januari 2010

Tussen lezer, schrijver en uitgever

In gesprek met manuscriptbeoordelaar Daan Kloosterhuis

Ik ben in Amsterdam, aan de rand van het Vondelpark, en loop het Filmmuseum binnen. Tijd om me in het museum te verdiepen gun ik mezelf niet, ik heb afgesproken met Daan Kloosterhuis, manuscriptbeoordelaar bij Manuscriptbeoordeling.nl. Bedrijfsnamen kunnen ook gewoon simpel en helder zijn. Al snel bevind ik me in café-restaurant Vertigo, gevestigd in hetzelfde pand. De kerstversiering is er niet te missen, in het rumoer bestel ik een kop ‘warme choco’, mét slagroom. Links van me leest een man van in de dertig een boek met een loep, in zichzelf pratend, voor me zitten twee Amsterdammers met een hond. Ze drinken hun biertje op, en staan net op om even te gaan roken.

Ik was vroeg, ik heb al afgerekend als de afgesproken tijd is aangebroken - tot mijn vermaak heeft de loeplezer ondertussen zijn verse muntthee omgegooid - en ik besluit na enkele minuten wachten een rondje te lopen of Kloosterhuis toch niet ergens anders in het gebouw op me wacht. Die onhandige loeplezer zal toch niet Kloosterhuis zijn, vraag ik me af als ik door een deur loop. Net voordat de deur dichtvalt, hoor ik een stem aan de loeplezer vragen: ‘Ben jij Dennis?’

We schudden handen en besluiten ergens boven te gaan zitten, weg van het rumoer. Af en toe worden we nog gestoord door een stel kinderen, maar we verstaan elkaar hier ten minste luid en duidelijk. Kloosterhuis verdwijnt even achter een deur: hij haalt koffie, maar niet uit het restaurant, hij werkt hier namelijk. ‘Een bijbaantje, onder andere als baliemedewerker, of als suppoost,’ dat laatste omdat er op gezette tijden films worden vertoond. Kloosterhuis is 29 jaar oud, studeerde Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en is afgelopen zomer afgestudeerd op de poëzie van Campert. Een dichter die hij nog lang niet uitkotst, ‘wat wel het gevaar is bij een schrijver waar je zo intensief mee bezig bent.’ Vermoeid is hij wel een beetje, maar dat komt omdat hij heeft de afgelopen dagen aan een opdracht gewerkt voor een sollicitatie. We praten kort over favoriete schrijvers, wetend dat wij neerlandici zoveel lezen en daardoor misschien meer weten te waarderen dan de gemiddelde lezer. Kloosterhuis is ‘vooral klassiek gericht, misschien wel de Grote Drie, Brouwers ook wel, ik kan een heel lijstje opnoemen.’

Luc’s sidekick
 Dan gaat het eindelijk over het onderwerp van het interview: manuscriptbeoordeling. ‘Wat leuk dat je dan voor een marginaal hoekje kiest voor een interview.’ De bureaus die manuscripten beoordelen, bevinden zich in een niche. Het is dan ook mijn opzet de manuscriptbeoordeling nader te belichten. Uitgeverijen, en vooral de grote, wijzen toegestuurde manuscripten gewoonlijk af met een standaardfrase: niet geschikt voor publicatie in ons fonds, of soms met de variatie: geen plek in ons fonds. ‘Ze moeten wel, er komen elke dag stapels manuscripten binnen en je mag van geluk spreken als er wat bij zit’, zegt Kloosterhuis. Het resultaat van al die afwijzingen blijft hetzelfde: teleurgestelde schrijvers, die geen enkel idee hebben of hun verhaal nu goed of slecht is. Kan het meteen de prullenbak in? Hoeft er alleen iets aan geschaafd te worden? Of zal een andere uitgever dat manuscript wel zonder bezwaren uitgeven? Het eerste Harry Potter-boek is ook door meer dan één uitgever afgewezen. Niet alleen kwaliteit, ook bestsellers worden niet altijd meteen herkend.

Nog niet zo heel lang geleden werd dit gebrek aan opbouwende kritiek of stimulerende feedback opgemerkt, en vervolgens opgevuld door een select aantal mensen. Soms zijn het eenmansbureaus, soms werken er meerdere redacteuren; sommige bieden enkel een beoordeling of een analyse van het manuscript, andere bureaus bieden auteursbegeleiding en ondersteuning. Enkele voorbeelden zijn Script Noordwijk, Bureau Artemis en Gerard Klappers.

Zo ook Manuscriptbeoordeling.nl. ‘Drie jaar geleden geïnitieerd door Luc de Rooy. We kennen elkaar van de UvA, om precies te zijn van het redactiewerk bij het faculteitsblad Babel. Zo’n twee jaar geleden ben ik erbij gekomen.’ Ze krijgen gemiddeld tien manuscripten per maand binnen, ‘al zijn er pieken en dalen,’ weet Kloosterhuis. ‘Zelf behandel ik er nu twee per maand. Op dit moment ben ik dus de sidekick van Luc, die meer manuscripten behandelt, zo’n drie per week. Dat doet hij nu zelfs vanuit het buitenland, wat eigenlijk alleen maar mogelijk is dankzij het internet.’

Die werkverdeling is wel eens anders geweest. ‘Een tijdje hebben we samen aan dezelfde manuscripten gewerkt, ieder bepaalde onderdelen behandelend. Maar dan zit je voor een groot deel dubbel werk te doen. Toch zou ik het wel lekker vinden als je even kan zeggen: “Kijk jij hier eens naar, wat zeg jij daarvan?” Overleggen doen we als dat nodig is natuurlijk wel. Het ligt dan ook in de planning dat het zo snel mogelijk een bureau wordt waarin Luc en ik gelijkwaardig zijn aan elkaar.’

‘Populair is de quick-scan, waarbij we tachtig pagina’s lezen, en op basis daarvan een analyse geven van de opvallendste sterke en zwakke punten. Bijna op een gedeelde eerste plaats komt het leesrapport, waarbij vaste elementen aan bod komen, zoals: grammatica, woordgebruik, verhaal en hoofdstukstructuur, de verhaallijn, spanningsopbouw, stijl, personages, bijna alles wat er te behandelen valt. Meestal geven we suggesties voor uitgevers die bij het verhaal zouden passen. Je kunt beter op een klein aantal uitgeverijen mikken. De nadruk ligt overigens meestal toch op doorschrijven, perfectioneren.’

De fondskennis zit vooral bij De Rooy, die bij meerdere uitgeverijen heeft gewerkt. De Rooy heeft een verleden als literatuurwetenschapper, schrijft zelf ook en wil zich daar verder in ontwikkelen. ‘Ik heb die aspiraties niet zo. Maar dat Luc schrijft, zorgt wel voor een subtiel beoordelingsverschil. Hij is misschien meer lezer annex schrijver in zijn leesrapporten, ik meer lezer annex criticus. Luc is misschien wat praktischer ingesteld. Van lezen houden is overigens wel een voorwaarde voor dit werk. Zonder leesplezier, zonder literatuurliefde houd je dit niet lang vol.’ Aan de andere kant is belezenheid ook een vereiste. ‘Alleen vanuit je eigen ervaring weet je wat lezers, en dus ook uitgevers aanspreekt.’

De eerste pagina
Hij haalt een manuscript uit zijn tas: een stapeltje papier, de randen van de pagina’s verfomfaaid en gevouwen, de tekst drukt het wit bijna van de pagina af. ‘Ik begin zoals gewoonlijk bij het begin, net zoals een uitgever die zo’n manuscript binnenkrijgt. Zou het wat zijn, die eerste pagina, die eerste zin? Het grote verschil met een uitgever is dat ik het niet weg kan leggen, ik moet er wel iets zinnigs over zeggen.’ Hij is bang dat deze stapel papier alweer een worsteling wordt, ‘maar dat is ook een uitdaging. Het is wel aardig, maar er schort nog van alles aan. Dit is voor een quick-scan, dus ik voel me wat vrijer om alinea’s of pagina’s te skippen. Soms zou je van de eerste pagina al een heel rapport op kunnen stellen. In dit manuscript zijn er bijvoorbeeld heel veel natuurbeschrijvingen.’ Hij leest een stukje voor. ‘Overbodig, onnodig, niet functioneel. Ook hier geldt weer: schrijven is schrappen.’

‘Schrappen’ en ‘show, don’t tell’ zijn misschien wel de adviezen die in elk schrijfhandboek te vinden zijn. Misschien clichés, maar volgens Kloosterhuis nog steeds nodig. ‘En oefenen natuurlijk, blijven schrijven. Schrijven kun je absoluut leren. En dan is het vooral aan te raden je te bekwamen in een en hetzelfde genre. Veel lezen, veel schrijven. Kies één genre uit en zet je daarop toe, dat zou ik vaker willen zeggen. Vooral omdat we bijna alleen maar romans binnenkrijgen van tweehonderd, driehonderd pagina’s, waarin van alles wordt uitgeprobeerd. Het is soms al moeilijk genoeg om één scène te beschrijven, dat is echt niet eenvoudig.’

Moeilijk vindt Kloosterhuis het soms ook om zo’n scène te beoordelen, laat staan een heel manuscript. Aantekeningen schrijft hij onmiddellijk apart op en werkt die uit zodra hij weet waar de meeste nadruk op moet liggen bij de beoordeling. ‘Wat zijn de sterke kanten, wat is er zwak, en vooral: hoe zet ik dat op papier? Het is lastig om adequaat op te sporen waar de onvolkomenheden zitten en dat vervolgens uit te leggen. Dat het bijvoorbeeld ligt aan de vertelinstantie, of aan de manier waarop de personages aan het woord komen.’

Al het contact verloopt via e-mail. ‘Enerzijds noodgedwongen omdat er (nog) geen kantoor is, anderzijds kun je je op schrift veel nauwkeuriger uitdrukken dan in een gesprek, veel objectiever en afstandelijker. Ik kan me voorstellen dat je in een gesprek je commentaar eerder afstelt op je gesprekspartner, en dat komt de beoordeling niet altijd ten goede.’

De juiste toon
Belangrijk bij de beoordeling is wel de balans tussen complimenten en kritiek. ‘Het heeft geen zin om een manuscript neer te sabelen. Ik heb waardering voor de tijd en energie die mensen in zo’n pak papier steken. Maar het moeten ook weer niet te veel onnodige loftuitingen worden. Ik probeer de zwakheden naar boven te halen, maar vanuit het idee dat de schrijver verder moet blijven schrijven, ik wil niemand ontmoedigen. Het is de uitdaging en de moeilijkheid om de goede toon te raken. Dat valt niet mee, zeker als het slecht is. Maar dat geldt ook voor de manuscripten die net niet helemaal goed genoeg zijn om naar een uitgever opgestuurd te worden. Want dan moet je de vinger leggen op dat aspect dat het nog beter kan maken.’

De juiste toon, dat is ook waarom Manuscriptbeoordeling.nl enige tijd terug in Schrijven Magazine als beste uit de bus kwam. ‘Professioneel, bondig, lekker leesbaar, heel opbouwend en mooi samengevat’ en ‘vriendelijk, behulpzaam, duidelijk en zonder te overdrijven,’ vond de schrijfster die haar verhaal naar vijf bureaus had opgestuurd. Haar kritiek was dat andere bureaus te veel de schoolmeester speelden, De Rooy was de enige die begrip leek te hebben voor haar verhaal. De anderen hadden juist een te belerend toontje. Kritiek op het onderzoek zelf stond in de latere aflevering: Hoeveel is een onderzoek waard waarbij alleen de mening van een schrijver naar voren komt? Zo’n subjectief onderzoek, dan komt het positiefste, meest begripvolle commentaar natuurlijk het best uit de verf. Objectief vergeleken werd er niet, waarom werd er niet gekeken naar het aantal beoordelingen die geholpen hadden bij publicatie?

Een standaard is er zeker nog niet voor de manuscriptbeoordeling. ‘En elk bureau legt waarschijnlijk zijn eigen accenten.’ Van een uitleg waarom een lezer of een uitgeverij niet gepakt wordt door het boek, tot een accent op oplossingen. ‘Zelf bevalt de rol van die schoolmeester me wel, streng doch rechtvaardig, met de beste bedoelingen. Vaak is dat gewoon nodig. En ik krijg zelfs flessen wijn opgestuurd, dus ontevreden waren die klanten dan niet, vermoed ik.’

Een aantal ‘klanten’ zijn na het advies ook daadwerkelijk gepubliceerd. Maar welke zichzelf respecterende schrijver zal na een succes zonder schaamte bekennen dat het niet alleen te danken is aan zijn eigen talent? ‘Manuscriptbeoordeling, voor velen is het misschien nog hun eer te na. De romantiek van het schrijven gaat er misschien af, ik weet het niet precies. Wel kregen we laatst een verzoek van een schrijfster die al heel succesvol debuteerde, maar toch ons benaderde om met onafhankelijke ogen naar haar volgende werk te kijken. Zo kan het dus ook.’

Het mooiste vindt Kloosterhuis hoeveel hij leert. ‘De verschillende mogelijkheden van perspectief bijvoorbeeld, of van vertelstructuur. Dat geeft je niet alleen een breder perspectief van mogelijkheden die je in verslagen kan gebruiken, maar toch zeker ook meer leesplezier, je weet sommige schrijvers ook beter te waarderen.’

Het korte verhaal
Nederland telt steeds meer bewoners, die gemiddeld ook steeds meer vrije tijd te besteden hebben. De computer heeft het bovendien veel makkelijker gemaakt om een verhaal tot een boek uit te werken. Is daarom ook het aantal schrijvers gestegen, en daarom de behoefte aan onafhankelijke manuscriptbeoordeling? ‘Ik betwijfel of er meer geschreven wordt dan vroeger, maar daar heb ik niet zo’n beeld van,’ zegt Kloosterhuis. ‘Ik denk wel dat de komst van internet een voorwaarde is voor de diensten die wij bieden. Je hoeft maar “manuscript” en “beoordeling” in te typen bij google en je vindt ons al, of een ander bureau. Door internet zijn de mensen zich bewuster geworden van de mogelijkheden, en zijn die mogelijkheden snel bereikbaar.’

Hoe de branche zich als geheel gaat ontwikkelen, misschien naar meer professionaliteit, moet ik maar aan Luc vragen. ‘Ik weet wel wat de plannen zijn voor dit bedrijf. Als Luc weer terug in Nederland is, wordt het meer een gedeeld bedrijf. Dan gaan we ook meer aan promotie doen. Het zou misschien ook een mooie ontwikkeling zijn als we meer gaan samenwerken met uitgeverijen, ons gaan bemoeien met de stapels die zij binnenkrijgen.’

Andere ambities zijn het geven van cursussen, workshops en lezingen aan aspirant-schrijvers of op middelbare scholen. ‘Over schrijven, schrijvers, genres, literatuur, en dan vooral gericht op het maakproces. Iets wat Luc en ik eigenlijk allebei willen, is een website opzetten gericht op het korte verhaal. Daar gaat toch mijn voorkeur naar uit, het is een fijn genre. En het is beginnende schrijvers zeker aan te raden zich eerst daar in te bekwamen. Dat is soms echt al moeilijk genoeg. Mede daarom willen we daar dus een platform of zelfs een publicatiemogelijkheid voor oprichten.’


Ik ben uitgevraagd, we schudden elkaar weer de hand en wensen elkaar succes. Ik loop weer in het Vondelpark. Het korte verhaal. Ik moet meteen denken aan de man die in zijn zenuwachtigheid zijn verse muntthee over zijn tafeltje morste. Schrijf daarover, dat is misschien wat Kloosterhuis schrijvers mee wil geven. En de lezers, die moeten weten dat manuscriptbeoordeling een plek verdient in de wereld van het boek. De wereld van schrijvers, lezers en uitgevers.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten