donderdag 22 oktober 2009

Een andere structuur

De Kapellekensbaan – Louis Paul Boon

Ik merkte dat ik het vaak lastig vond om mijn aandacht bij het boek te houden. Ik heb een editie gelezen die gebaseerd is op de eerste druk, de meest volledige tekst dus. Het is niet alleen wennen aan de Vlaamse syntaxis, of de soms lange woordgroepen (zonder hoofdletters) die verwijzen naar personages, maar vooral de lange zinnen zorgen ervoor dat je snel de draad kan kwijtraken. Dat heeft in combinatie met het taalgebruik tot effect dat Boons stijl meer neigt naar spreektaal dan naar ‘schrijftaal’. Het is bijna alsof Louis-Paul Boon letterlijk uitgesproken teksten heeft opgeschreven, waar het ook moeilijk is om punten en hoofdletters te onderscheiden. Hardop voorlezen - het liefst met een Vlaamse tongval – helpt wel met de concentratie en met het leesplezier, maar is natuurlijk niet voortdurend vol te houden. Je krijgt er een droge keel van en ook huisgenoten beginnen zich luidkeels af te vragen of alles nog wel goed gaat.

Wat de leesbaarheid ook niet helpt, is dat het boek meer uit meningen en opvattingen bestaat dan uit gebeurtenissen. Slechts het verhaal van Ondine blijft het meest boeien, omdat daar toch een bepaald verloop in zit. De stukjes over de moderne Reinaert zijn meer op zichzelf te lezen, en daarover wordt ook veel minder gediscussieerd dan over het verhaal van Ondine. De schrijver van het verhaal bekritiseerd namelijk niet direct zijn eigen verhaal over Ondine, maar laat het zijn ‘personages’ doen, die te pas en te onpas zijn huis binnenlopen. Of de ‘schrijver’ nu geen inspiratie heeft of juist wel wil schrijven, de kantieke schoolmeester, johan janssens, dichter en dagbladschrijver, mossieu colson van tminnesterie, tippetotje de schilderes en enkele andere personages komen het hoofd van de schrijver binnenwandelen om daar hun zegje te doen. Over het verhaal zelf, elementen eruit, over boontje, over schrijven en fictie überhaupt. Het zijn bijna maskers voor de schrijver, maskers die uitdrukken wat hij zelf denkt, maar wat hij niet zo direct zelf wil zeggen. Vooral janssens dienen we soms gelijk te stellen aan de schrijver. Liever dan direct aan het woord komen, spreekt de vertel- of schrijversinstantie zichzelf toe met ge. Misschien om een band met de lezer te benadrukken, of toch alleen om inderdaad zichzelf toe te kunnen spreken. Hij komt alleen als ik aan het woord als ‘de echte wereld’ te aangrijpend wordt om nog naar maskers te grijpen.

Toch lijkt het verhaal van Ondine niet het (enige) verbindende element. Wat het verbindende element dan wel is, en of er wel iets is wat al die korte hoofdstukjes verbindt, dat is de vraag. Het komt op mij toch wel over als een geheel. Is het omdat alles zich afspeelt rond die Kapellekensbaan, maar dan in verschillende tijden, met verschillende realistische of juist fabelachtige personages, die desalniettemin allemaal fictief zijn? Zijn het het weer en de seizoenen die een overkoepelende rol spelen? Het beschrijven van de wereld, het leven van alledag? Of het nihilisme? Of is het juist de vervlechting van de verschillende verhalen, en daarbij de verscheuring en objectivering van de drie hoofdverhaallagen? Duidelijk is dat Boon bewust gespeeld heeft met de ‘stuctuur’ en de samenhang tussen deze verhalen, en of de zeldzame lezer het allemaal wel of niet zal begrijpen. Het is al met al een uitzonderlijk, maar bijzonder boek, al weet ik niet of ik nog een keer op mijn gemak (hardop?) zou willen lezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten