dinsdag 15 september 2009

Bang in het licht

Willem Mertens’ levensspiegel is een boek vol met schijnbare tegenstellingen. Misschien niet zonder reden. Leegte en chaos. Licht en donker. Helderheid en mistige rook. Geluk en mislukking. Verleden en heden. Verbeelding en werkelijkheid. Dierlijkheid en menselijkheid. Gek en gezond. Uiterlijk en innerlijk. Denken en doen. Zaken die misschien net zo bij elkaar horen als Willem Meertens en zijn sjofele spiegelbeeld.

Balans
Op verschillende niveaus maakt de verteller de balans op van Willems leven. Op verschillende momenten kijkt Mertens letterlijk in de spiegel en schrikt daar van de invloed die zijn levensstijl op zijn uiterlijk heeft. Naast zijn uiterlijk verval is hij ook op sommige momenten prima in staat om te realiseren dat hij zijn innerlijk moet beteren, dat zijn daden onverantwoord, onethisch en min of meer misdadig zijn. Kortom: dat zijn innerlijk veel te verduren heeft gehad. Dat ook financieel de balans - zowel van de bank en daardoor eigenlijk van hemzelf - niet in orde is, versterkt deze negatieve balans alleen maar. Als zelfs zijn kamer aan verval onderhevig is, is dat weer een ander vlak waarbij Willem een soort spiegel voorgehouden wordt. Mertens heeft een tekort, een schuld waar hij misschien in eerste instantie niets kon doen, maar die hij wel voorneemt om te herstellen.

Machteloosheid
Willem werkt bij de bank en neemt zich keer op keer voor om van zijn oude gewoontes af te stappen, ‘ontkomen’ aan de ‘gewoontesleur’. Het is het verschil tussen denken en doen. Zijn ‘dierlijke’ behoeftes zijn helaas uiteindelijk altijd sterker dan de geest. Het verband tussen zijn denken en zijn ledematen is er niet. Zijn gedrag moet worden verklaard door een seksueel ‘trauma’ in zijn jeugd. Die schuld, die zonde heeft de rest van zijn leven bepaald. Telkens wil hij breken met zijn vroeger bestaan, telkens weer lijkt hij niet bij machte er iets aan te doen, en verdrinkt en verspeelt hij zijn geld weer in de kroeg, en eindigt hij weer bij ‘kellnerin’ Helene, de vrouw die bijna symbool staat voor zijn gewoontesleur, want ook van haar wil hij herhaaldelijk af. Hoewel hij niet dom is en geniet van lezen en tekenen, koos hij ervoor om niets met die begaafdheid te doen. Hij werd schuw, stil, misdadig en steeds eenzamer ‘door het nietsdoen’, door een belemmering van zijn ondernemerszin, door een ‘werklooze afwachting’. Zijn gedrag is bepaald door zijn verleden, het ligt dus in principe vast, wat hem machteloos maakt. Die herhaling en de uitzichtloosheid, maken het boek soms wat deprimerend om te lezen, vooral als de lezer er verder geen diepere betekenis aan geeft.

Leven
De taal lijkt met veel aandacht opgeschreven te zijn. Van Oudshoorn maakt veel gebruik van adjectieven, en daarbij vaak ook van alliteratie en binnenrijm. Vooral bijvoeglijke naamwoorden rondom donker en licht vallen op, maar of daar ook een diepere betekenis aan verbonden is, heb ik nog niet helemaal door. Dat zou ook betekenen dat die begrippen consequent gehanteerd moeten worden. Verschillende begrippen krijgen het predikaat zwart: zwart ongelukkig, zwarte wanhoop, zwarte schuldbesef, zwart verleden. Deze duivelsheid, deze duisterheid heeft misschien te maken met zijn eenzaamheid: hij zoekt de schaduwen op, vermijdt lichtkommen, hij wil niet te zien zijn. Tegelijkertijd wil hij niet eenzaam zijn. Hij wil een betekenis hebben, niet vergeten worden. En op andere momenten overschat hij zichzelf weer. Bij deze uitgeslotenheid speelt ook stilte een rol.
Tegelijkertijd voelt hij zich ‘aangetrokken tot het leven en het licht’. Staat licht dan symbool voor ‘leven’? En donker voor de dood? Want soms denkt hij dat hij niet leeft, niet echt leeft in ieder geval. En op het ene moment lijkt het leven hem gunstig gezind, op het andere moment laat het hem in de steek, is het tegen hem. Het is misschien dus geen boek over de dood, maar juist een boek over het leven, met al zijn tegenstrijdigheden. Het leven is volgens Willem niet werkelijk, maar misschien is zijn definitie van leven wel anders. Misschien bedoelt hij met leven wel een puur rationeel, menselijk leven, vrij van dierlijke driften. Als dat leven is, is Mertens inderdaad al dood voor hij uit het raam valt. We lezen immers over zijn afgestorven gemoed, over zijn gebrek aan belangstelling of interesse, over zijn onverschilligheid. Op het laatst is hij dan ook niet meer aan de werkelijkheid gebonden, ziet hij dingen die er niet zijn. ‘Gek worden en het zelf weten is erger dan de dood.’ Misschien is de dood voor Mertens inderdaad een verlossing van een leven waarin hij zo machteloos is overgeleverd aan zijn natuur.  En is hij inderdaad bang voor het licht.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten